Al vanaf de Romeinse tijden zijn de oeverwallen van de rivieren bewoond. De oevers van de rivier zijn zandig en liggen hoog boven de rivier. Ze vormden zo een goede ondergrond voor de nederzettingen. De rivier werd gebruikt voor visvangst, drinkwater, transport en voor de afvoer van afvalstoffen.
De bewoners van de oeverwallen gingen langzaam maar zeker de zware kom-kleigronden achter de oeverwal in gebruik nemen. Ze groeven sloten vanuit het gebied naar de rivier om het gebied te ontwateren en zo geschikt te maken voor de landbouw.
De ontginningen verliepen onregelmatig in blokken en op de topografische kaarten zijn de oude blokontginningen dan ook duidelijk herkenbaar aan de weinig systematische patronen van de sloten. De ontgonnen gronden werden door een sloot of vaart beschermd tegen het afstromende water van het achterland. Men waagde zich echter niet aan de ontginning van de zeer uitgestrekte veengronden, die de rivieren zowel aan de westkant als ook aan de oostkant, omzoomden.
Dit veranderde toen in 953 Koning Otto I een groot aantal goederen aan de Sint Maartenkerk te Utrecht schonk. Onder deze goederen waren alle domeingoederen langs de Vecht. Vanaf dat moment stimuleerden de bisschop en de leenheren van de Vechtstreek de ontginning van de woeste veengronden aan de beide zijden van de Vecht. Op deze manier vergrootten zij hun inkomsten en hun territorium.
Omdat ook de graven van Holland om de zelfde redenen het ontginnen stimuleerden, kwam er en enorme ontginningsgolf op gang. Het gehele Hollands-Utrechtse veengebied werd in enkele eeuwen ontgonnen. De ontginningen startten in de 11e eeuw en liepen door tot in de 15e eeuw.
De ontginningen verliepen niet langer als ongeorganiseerde initiatieven van losse boeren, maar werden door de kolonisten goed opgezet waarbij de uitvoering afhankelijk was van het type van de ondergrond. Hierdoor ontstonden karakteristieke en nu nog goed herkenbare landschapstypen.
Bij het ontginnen van het uitgestrekte veenlandschap ging het altijd in eerste instantie om de ontwatering van het gebied en om het ontgonnen gebied te beschermen tegen afstromend water uit het veen. Afhankelijk van het landschap werden verschillende strategieën gebruikt:
![]() |
| Radiale ontginning. Bron: zie kaart verkaveling. |
Het grote, bol liggende ronde koepelveen gelegen tussen de Vecht en de Kromme Mijdrecht werd ontgonnen door vanuit de randen sloten en vaarten naar het midden te graven. Halverwege werden ontginningsbases aangelegd in de vorm van bewoonde dijken. Dit zijn nu de dorpen Vinkeveen en Demmerik, Wilnis, Mijdrecht en Waverveen. Het veenlandschap was wel nat maar qua begroeiing erg open. Deze relatief eenvoudige wijze van ontsluiten vroeg wel om coördinatie maar het water stroomde eenvoudig af naar de omliggende rivieren. Zo ontstond een fijn radiaal systeem van afvoersloten dat nog tot op de dag van vandaag goed zichtbaar is gebleven. In het gebied van Loosdrecht werd het veenriviertje de Drecht gebruikt voor de ontwatering. Loodrecht op de rivier werden sloten gegraven. Hier vormde het dorp Loosdrecht een ontginningsbasis.
Ten zuiden van het gebied van de Drecht vindt men de lange, opstrekkende kavels. Hier werd vanuit de achterkant van de oude verkaveling bij de Vecht in lange stroken naar de Utrechtse Heuvelrug gewerkt met ook weer hier en daar een ontginningsbasis. Zo ontstonden dorpen als Tienhoven, Westbroek en Maarsseveen.
Het gebied aan de westelijke kant van de Vecht bij Maarssen was veel moeilijker te ontginnen. Hier ontstond een vast patroon waarbij een vaste perceeldiepte van 1250 tot 1300 meter werd aangehouden en kreeg iedere ontginner een vast oppervlak toegewezen. Hierdoor ontstond een zeer karakteristieke ontginning de zesvoorling verkaveling of het cope landschap. Dit landschap met zijn blokken van vaste grootte ligt tussen de Vecht en de Oude Rijn en strekt zich uit tot ongeveer Portengen.
|
![]() |
|
| Opstrekkende kavels. Bron: zie kaart verkaveling. |
Kavels met vaste perceeldiepte. Bron: zie kaart verkaveling. |
![]() |
| Turven. Bron: Wikipedia |
Reeds bij de ontginning van het Utrechtse veengebied gebruikte de mens het gedroogde veen als brandstof. Zo werd in het gebied achter de Drecht tegen ‘t Gooi tegelijk met het ontwateren en in cultuur brengen van het land een laag veen afgegraven dat als brandstof werd gebruikt. De vergraven landerijen werden de vullinghlanden genoemd. Het gebruik van gedroogd veen als brandstof werd steeds populairder omdat de aanvoer van hout uit de zandgronden terugliep en de het aantal inwoners en de industrie in de steden Utrecht en Amsterdam snel groeide.
![]() |
| Turfsteken. Bron: Wikipedia |
Vooral het veen ten oosten van de Vecht om Loosdrecht en het veen van het koepelveen in de Ronde Venen was populair. Dit veen was gevormd door de massale groei van veenmossen. Het gaf niet zo erg veel warmte, maar veroorzaakte bij de verbranding weinig rook. Daar de schoorstenen in de Middeleeuwen nog gebrekkig waren was de turf van het mosveen uit de genoemde gebieden dus erg belangrijk.
Grote gebieden werden afgegraven. Men ging echter niet diep en de afgraven landerijen bleven wel in gebruik als agrarische gronden. Vooral de veeteelt was belangrijk daar de landerijen door het afgraven en de inklink te laag waren komen te liggen voor de akkerbouw.
Dit veranderde toen in de 16e eeuw de natte vervening op gang kwam. Deze methode was reeds enkele eeuwen bekend in Engeland (East Anglia) en kwam in de 16e eeuw in Holland en Utrecht op gang. Hierbij werd veen en bagger met een baggerbeugel uit het water getrokken, op het land gemengd met water en vervolgens op de legakker uitgespreid om te drogen. Men baggerde dus van de legakker in de sloten en vaarten ernaast. De sloten en vaarten werden daardoor steeds dieper, maar vooral ook breder. Grote hoeveelheden veen die onder het waterniveau lagen kwamen zo beschikbaar en de turf die zo geproduceerd werd was zwaarder en gaf aanzienlijk meer warmte. Dit paste in het beeld dat de steden steeds meer brandstof bleven vragen.
In de eeuwen daarna verdwenen grote oppervlakten land en bleven alleen smalle legakkers over. Door de stormen en de vorst werden de legakkers aangetast en weggeslagen en tenslotte bleef alleen een groot wateroppervlak over. De Hollandse en Utrechtse plassen werden op deze manieren gevormd.
De overheden maakten zich zorgen over de toenemende afmetingen van de plassen. De kracht van de golfslag nam toe en daarmee het afkalven van de oevers. Om de legakkers te behouden moesten deze ingeplant worden met elzen en vlak bij de oude oevers en dijken mocht niet verveend worden, maatregelen die niet veel hebben geholpen. Sinds 1790 werd de vervening dan ook alleen toegestaan als er en droogmaking op volgde. Zo is in de loop van de tijd het gehele gebied van de Ronde Venen op de Vinkeveense Plassen en de Botshol na weer drooggemaakt.
Het werk van de vervener was uiterst zwaar. Vooral het baggeren met de baggerbeugel deed de veenwerkers snel verouderen. Met de komst van de stoommachine werd het baggeren met de baggerbeugel gemechaniseerd. In het gebied ten oosten van de Vecht waren toen al geen bruikbare verveningsgronden over. Ten westen van de de Vecht ging de vervening nog door en hier werd de veentrekmachine vanaf het einde van de 19e eeuw toegepast totdat halverwege de 20ste eeuw aan de vervening een einde kwam.