Software Project 2011/2012

Rechten

Een organisatie die als opdrachtgever meedoet aan het Softwareproject, doet dat in de hoop op het vervaardigde product voor de eigen doeleinden te kunnen gebruiken. Dat is echter alleen mogelijk als de daarvoor nodige rechten worden overgedragen. Als dat niet gebeurt, verhindert het auteursrecht immers ieder gebruik van het product door de opdrachtgever.

Het auteursrecht beschermt ieder oorspronkelijk werk, in de breedste zin van het woord. Oorspronkelijk was het bedoeld voor kunstzinnige producten zoals schilder- en beeldhouwkunst, muziek en literatuur, maar door analogie is het ook van toepassing verklaard op software. Auteursrecht ontstaat automatisch door het creëren van een werk: het hoeft niet aangevraagd te worden en ook is vermelden van de naam van de maker of een copyright-symbool niet nodig. Behalve in gevallen waar het werk is vervaardigd in opdracht in het kader van een vast dienstverband, berust het auteursrecht bij de maker. Het blijft gelden tot 70 jaar na diens overlijden. Bij een collectief product, zoals de software die in het Softwareproject is vervaardigd, berust het auteursrecht onverdeeld bij de gezamenlijke makers, die er alleen met aller instemming over kunnen beslissen.

Zonder expliciete toekenning of overdracht van rechten is het de opdrachtgever niet toegestaan de software op welke wijze dan ook te gebruiken. Welke rechten daarvoor precies nodig zijn, hangt af van de aard van het gebruik dat bedoeld is. Als het goed is, geeft de projectbeschrijving daarover informatie.

In het eenvoudigste geval heeft de opdrachtgever geen andere behoefte dan het programma te kunnen gebruiken. Het toekennen van een gebruikslicentie is dan voldoende. De broncode hoeft dan niet overgedragen te worden, .class- of .exe-bestanden volstaan. De studenten behouden dan alle recht de code naderhand voor andere doeleinden te gebruiken.

Het wordt iets ingewikkelder als de opdrachtgever niet alleen de oorspronkelijke versie van de programmatuur wil uitvoeren, maar ook veranderingen in de code wil kunnen aanbrangen. In dat geval moet de licentie dit recht ook toekennen en de broncode moet worden ingeleverd.

Het kan echter ook het geval zijn dan de geproduceerde software bedoeld is om deel te gaan uitmaken van een systeem dat de opdrachtgever aan derden in licentie wil geven, al dan niet tegen betaling. Dit is alleen mogelijk als de makers het auteursrecht expliciet overdragen aan de opdrachtgever. De makers verliezen daarmee alle rechten op het gebruik van de software, maar de opdrachtgever kan hun omgekeerd een licentie als bovengenoemd verlenen. Een voorbeeld van een dergelijke overeenkomst is ter oriëntatie bijgevoegd.

Nog anders is de situatie als het product bedoeld is verspreid te worden onder de GNU General Public License of vergelijkbare licenties voor vrije software. Ook hiervoor is expliciete toestemming van de makers nodig. Een consequentie van deze licentie is dat andere softwareproducten waarvan het werk later deel gaat uitmaken onder diezelfde licentie gaan vallen en dus niet onbeperkt commercieel geëxploiteerd kunnen worden.

Om te voorkomen dat het Softwareproject voor de opdrachtgever of voor de deelnemende studenten op een teleurstelling uitloopt, is het verstandig de kwestie van de rechten te regelen voordat het eigenlijke programmeerwerk van start gaat. Omdat de omvang van de benodigde rechten per project verschilt, kan er geen standaardregeling worden afgesproken: de projectgroep zelf is verantwoordelijk voor het verloop van de onderhandelingen terzake. Een professionele en integere opstelling hierbij is vereist.  Studenten die bij de aanmelding voorkeur voor een bepaald projectvoorstel uitspreken, wordt verzocht zich rekenschap te geven welke consequenties het voorstel voor de overdracht van rechten heeft.

Naast de overdracht van auteursrecht kunnen er nog andere verklaringen zijn waarvan de opdrachtgever ondertekening eist. Hiertoe kan een geheimhoudingsverklaring horen, waarin de student verklaart vertrouwelijke bedrijfsinformatie die hem of haar in het kader van het Softwareproject ter ore komt, niet naar buiten te zullen brengen. Ook kan gevraagd worden om een belofte geen octrooiaanvraag te zullen baseren op vindingen die deel uitmaken van het project. Bovengenoemd voorbeeld bevat een mogelijke formulering van dergelijke bepalingen. Voor al deze verklaringen geldt dat duidelijkheid vooraf geboden is.

Een student die zich niet kan verenigen met de verklaringen die in het kader van een bepaald project moeten worden getekend, kan worden overgeplaatst naar een ander project.