Cijferberekening toetsen

Deze informatie is alleen ter kennisneming: Over de uitslag en de berekeningswijze wordt niet (nooit) gecorrespondeerd, anders dan aangegeven is bij een tentamen.
.
Veel studenten verkijken zich op het effect van de toevalskans-correctie in het cijfer. De algemeen geldende uitleg hiervoor (uitgaande van de '1 uit 4 alternatieven' klassieker) is als volgt:
Bereken het aantal punten per vraag o.b.v. 75% van de vragen (de kansfactor is 25% van de vragen) en trek voor de cijferberekening eerst de kansfactor van het aantal goede vragen af. Bijvoorbeeld een toets met 40 meerkeuzevragen, allen van het type 1 keuze uit 4 opties. Als alle opties volstrekt willekeurig zouden worden beantwoord, zou men 25% goed hebben (het effect van de gokkans van 1 uit 4), en zo een 2.5 scoren. Anders gezegd: het cijfer is 2.5 punt te hoog, en dit effect moet gecorrigeerd worden. In een toets van 40 vragen is dat 10 vragen, zodat er 10 punten behaald kunnen worden over 30 vragen, oftewel 1/3 punt per vraag. De officiële werkwijze is: Bepaal het aantal juist beantwoordde vragen, trek daar de toevalskans van af, en vermenigvuldig het resterende deel met het aantal punten dat per vraag te verdienen is. Heb je alle 40 vragen goed, dan wordt het eindcijfer (40-10)* 1/3 =10. Heb je 30 vragen goed 20*1/3=6.66 etc.
Soms rekent men anders: dan wordt voor elke vraag fout 1/3 punt (of een andere door de docent bepaalde waarde) van 10 afgetrokken, een methode die iets simpeler is maar ertoe kan leiden dat een negatief cijfer behaald wordt.
.
Bij de projectmanagement-tentamens is het iets complexer, omdat we (naast de 1 uit 4 mc-vraag) ook nog de '1 uit 3' of '1 uit 5' mc-vraag hebben (deels als single-select bladervraag), de ja/nee-vraag hebben (50% gokkans), de kortantwoord-vraag (0% gokkans), de sorteervraag (gokkans afhankelijk van het aantal opties, bij 4 te sorteren opties 24 mogelijke sorteringen, dus een gokkans van 1:24=4.16%) en de multiple-select vraag. Bij deze laatste vraag is de gokkans zeker ook aanwezig, maar de mate hiervan is afhankelijk van enkele factoren: wel/niet weten hoeveel opties je moet selecteren (1), het aantal opties in de vraag (2), en de verhouding tussen het aantal juiste en onjuiste opties (3). Voor de cijferberekening van deze vraag worden de onjuiste gekozen (en onjuist niet gekozen) opties meegenomen: er wordt een weging gemaakt tussen juiste en onjuiste keuzes.
.
Deze complexiteit wordt opgelost o.a. door een bepaalde mix van vraagtypen te hanteren, zodat bij de cijferberekening een enkelvoudige kansfactor (25%) kan worden aangehouden: vraagtypen en hun beoordeling moeten elkaar dan voldoende compenseren. De praktische uitvoering hiervan is: De cijfers voor de multiple-select mc-vragen worden omgezet in goed of fout, d.w.z. 10 als >=5.5 of 0 als <5.5 om zo het gokkans-effect ongeveer gelijk te maken aan de single-select mc-vraag (met de gokkans wordt rekening gehouden door de verdeling van de opties). De ja/nee-vragen en kortantwoord-vragen compenseren elkaar voldoende, mede door de moeilijkheidsgraad van de eersten.
Deze methode is in de praktijk gecontroleerd en werkt in de regel ietsje in het voordeel van de student.
.
N.B.: Studenten die bij een van de tentamens maar 1 vraag van een voldoende afzitten worden altijd nog eens handmatig nagelopen.
.