Procedure

1. Onderzoeksproject

Vanaf volgend jaar (2017-2018) is de procedure voor het OZP iets aangepast. Je kan alleen in bepaalde periodes werken. Dit is gestrikt! Mocht je binnen die periode niet klaar zijn, dan heeft dat gevolgen, in het ergste geval zal je opnieuw moeten beginnen. Voor de start zal op 2 mei 2016 een bijeenkomst plaatsvinden. Je zult op die dag de meeste supervisoren en hun interessegebied leren kennen. Aanwezigheid bij deze bijeenkomst is verplicht. Ben je van plan om je OZP volgend jaar te doen, vergeet dan de volgende datums niet:

  • 2 mei verlicht bijeenkomt in Unnik-Groen, om 13:00 uur.
  • 15 mei deadline voor het inleveren van het preferentieformulier.
  • Afhankelijk van je stage periode moet je je registratieformulier en/of je contract op tijd inleveren bij de stagecoŲrdinator:
  • Voor periode 1 of 1 + 2: uiterlijk 09-09-2017
  • Voor periode 2: 09-11-2017
  • Voor periode 3 of 3 + 4: 01-02-2018
  • Voor periode 4: 13-04-2018
  • Het onderzoeksproject (INFOOZP) is verplichte afsluitende onderdeel van de bacheloropleiding Informatiekunde. Het onderzoeksproject geeft je de gelegenheid de kennis en vaardigheden die je de voorafgaande jaren hebt opgedaan toe te passen. Academisch denk- en werkniveau komen tot uitdrukking in de methode van onderzoek en een kritische reflectie op het eigen werk. Een onderzoeksproject vindt plaats bij een onderzoeksorganisatie (intern bij het Departement Informatica of extern bij een andere universiteit of onderzoeksinstituut), of in de vorm van een stage bij een andersoortige organisatie (extern). In alle gevallen is bij het project een duidelijke onderzoekscomponent aanwezig.

    De doelen van het onderzoeksproject zijn:

    Een onderzoeksproject heeft een looptijd van minimaal één onderwijsperiode en maximaal twee onderwijsperiodes, en heeft een omvang van 15 ECTS.

    Het eindverslag, de scriptie, dient duidelijk het karakter van een onderzoeksverslag te hebben met een vraagstelling, literatuuronderzoek en een conclusie.

    Een onderzoeksproject wordt individueel, of in tweetallen uitgevoerd. Wordt het project in tweetallen uitgevoerd, dan moet elke individuele bijdrage als zodanig in de bachelorscriptie herkenbaar zijn.

    Bij een extern project is er een interne begeleider en een externe begeleider. De interne begeleider is een docent van ons departement, die de (inhoudelijke) begeleiding van een onderzoeksproject doet. De externe begeleider is een persoon, die door het bedrijf, de instelling of het instituut waarbij de student het onderzoeksproject doet, als (dagelijkse) begeleider wordt aangewezen. Bij een intern onderzoeksproject heeft de student alleen een interne begeleider.

    2. Wanneer kun je beginnen?

    Je kunt beginnen in elke onderwijsperiode, als je 120 studiepunten hebt behaald en het vak Wetenschappelijke Onderzoeksmethoden (INFOWO) hebt afgerond. Een voldoende deel van de vakken die binnen die 120 studiepunten vallen, dienen inhoudelijk gerelateerd te zijn aan het project dat je kiest; dit is uiteindelijk ter beoordeling van de interne begeleider.

    Het onderzoeksproject kan echter pas starten als aan twee belangrijke voorwaarden is voldaan:

    1. Je werkplan is goedgekeurd door de interne begeleider (lees hierover meer hieronder).
    2. Het stagecontract van de universiteit is door betrokkenen getekend (dit is alleen van toepassing bij een extern onderzoeksproject).

    3. Oriëntatie

    Eigen initiatief is erg belangrijk. De stage plek en de interne begeleider moet je zelf zoeken. Deze website bevat een aantal mogelijke onderwerpen en jaarlijks is er ook een stagevoorlichting waarbij docenten hun eigen onderwerpen aanbieden en toelichten. Maar je bent zeker niet beperkt tot dit aanbod. Je kunt zelf bedrijven benaderen, vragen of ze een stageplek hebben die je bevalt en dan zelf op zoek gaan naar een docent die jou wilt begeleiden.

    Wanneer je geen idee hebt hoe te beginnen, kan een oriënterend gesprek met de stagecoördinator helpen. Al pratend worden je eigen ideeën wat concreter en hij kan mogelijk een advies geven in welke richting je verder kunt zoeken. De stagecoördinator kan geen onderwerpen toewijzen of een begeleidende docent aanwijzen, maar wel suggesties geven.

    Het is dus heel belangrijk op tijd te beginnen met je te oriënteren, uiterlijk 4 weken voordat je daadwerkelijk wilt starten!

    4. Stagecontract

    Het is verplicht het stagecontract van de Universiteit te tekenen en te laten ondertekenen door de externe stageaanbieder. Dit contract bevat bepalingen die de student beschermen. Het komt vaak voor dat de aanbieder een eigen stagecontract heeft. In dat geval worden beide contracten getekend. Let daarbij goed op tegenstrijdige bepalingen en overleg daarover in eerste instantie met je begeleiders en zo nodig met de stagecoördinator. Teken geen contract dat je bijvoorbeeld verplicht tot geheimhouding van je scriptie! De scriptie is per definitie openbaar, maar je kunt wel afspraken dat bepaalde gegevens of onderdelen niet openbaar worden. Deze komen dan meestal in een afzonderlijke bijlage terecht. Ook mag een stagecontract je geen beperkingen opleggen met betrekking tot eventueel toekomstig werk.

    5. Stappenplan

    Concreet moet je de volgende dingen doen bij een stage:

    1. Schrijf je in voor het vak INFOOZP via Osiris (de stagecoördinator of interne begeleider kan dit niet voor je doen!).
    2. Ga op zoek naar een stageplek, of bedenk of kies een onderwerp voor een interne stage. Vraag bij een externe stage wie jouw (externe) begeleider wordt en vraag om een schriftelijke formulering van de stageopdracht.
    3. Zoek een interne begeleider. Stel jezelf de vraag welke docent een vak geeft of onderzoek doet op het terrein van je stageonderwerp. Soms lukt het niet om die aansluiting te vinden, maar docenten zijn in de regel ook wel bereid om een onderwerp te begeleiden dat niet in hun eigen expertisegebied ligt. Persoonlijk contact is daarbij erg belangrijk, dus neem contact op en bespreek je ideeën met de persoon in kwestie.
    4. Stel een concept-werkplan op. Bij een externe stage moet dat zijn afgestemd op de stageopdracht en zul je wellicht willen overleggen met de externe begeleider. Bij een interne stage kun je aansluiten bij een stageonderwerp dat door een docent wordt aangeboden of -- als je zelf een onderwerp hebt bedacht -- dien je jouw eigen ideeŽn verder uit te werken. Belangrijk: het werkplan moet in ieder geval worden goedgekeurd door de interne begeleider; pas dan kan de stage daadwerkelijk van start gaan.

      Een werkplan bestaat uit de volgende onderdelen:
      1. Probleemstelling.
      2. De opdeling van de probleemstelling in subvragen.
      3. De operationalisering: hoe denk je het probleem op te lossen? Wat is je aanpak? Literatuurstudie en/of een experimenteel onderzoek? Ga je een prototype bouwen? Meestal is het nodig al een vluchtige literatuurstudie uit te voeren om deze vragen goed te kunnen beantwoorden.
      4. Fasering van de werkzaamheden en mijlpalen: Wanneer denk je wat op te leveren? De mijlpalen zijn belangrijk om je stage te structureren wat tijd betreft. Wees zo concreet mogelijk. Een mijlpaalproduct kan bijvoorbeeld een tussenverslag zijn, het resultaat van een experiment of een ruwe versie van je scriptie. De lijst met mijlpalen helpt de interne begeleider de voortgang van het werk in de gaten te houden. Wanneer je vóór een bepaalde datum het cijfer wilt hebben, dien je een duidelijke afspraak met de docent te maken over het moment van inlevering van de eindversie; houd er rekening mee dat de docent ook ander werk heeft en ook enige tijd nodig heeft voor het nakijken.
      5. Verwachtingen ten aanzien van het eindresultaat, wat ga je aan het einde opleveren naast de scriptie? Zo mogelijk: een te toetsen hypothese.
      6. Naam, telefoonnummer en e-mailadres van de externe begeleider in geval van een externe stage.
    5. Belangrijk: Voordat je daadwerkelijk aan de stage begint moeten een aantal stukken worden ingevuld, ondertekend en ingeleverd bij de stagecoördinator. Voor een externe stage zijn dit een stagecontract (of een kopie hiervan) en een registratieformulier. Voor een interne stage hoeft geen stagecontract ingeleverd worden, maar wel een registratieformulier (neem je cijferlijst mee). Wanneer alle betrokken partijen de betreffende stukken hebben getekend, dien je deze in te leveren bij de stagecoördinator (bijvoorbeeld via diens postvakje).
    6. Contact met de interne begeleider. Het is belangrijk om tijdens de stage regelmatig contact te hebben met je interne begeleider. Hoe frequent dat gebeurt, hangt sterk af van het onderwerp en de personen in kwestie. In de regel is het handig dit contact te koppelen aan het opleveren van een mijlpaalproduct. Als je geen mijlpaalproduct hebt in te leveren is het een goed idee om in één A4 (niet meer) kort en bondig de voortgang van de stage te beschrijven.
      1. De scriptie. De een schrijft gemakkelijker dan de ander, maar reserveer voldoende tijd voor het schrijven van de scriptie. Houd er rekening mee dat je commentaar krijgt op de eerste versie en dat dit weer nieuw werk met zich meebrengt voor de definitieve versie. De scriptie mag geen taal- en spellingfouten bevatten en moet een helder en goed geschreven wetenschappelijk verslag zijn. De opbouw van je scriptie stel je in overleg met je interne begeleider vast.
    7. Afsluiting:Lever bij afronding de volgende items in bij de stagecoördinator: Belangrijk: Het inleveren van bovengenoemde drie items is een inspanningsverplichting voor dit studieonderdeel. Zonder inlevering is het resultaat niet geldig.